Over de kool en de geit
Reactie op artikel in NRC
Dit is een pittig stuk in NRC over het VGO-III onderzoek en het advies van de Gezondheidsraad over de risico’s van geitenhouderijen en longontsteking in de directe omgeving. Mijn citaten zijn kritisch naar onderzoekers en instituten die ik hooglijk waardeer en respecteer. Waarom?
Het begon, voor mij, in februari 2025 met een reactie op mediaberichtgeving dat er per jaar 20-100 mensen overlijden door longontsteking als gevolg van geitenhouderijen in hun directe omgeving. Ik ging naar de bron (GVO-III) en was verbaasd over de stelligheid van die conclusie. Vervolgens kwam het advies van de Gezondheidsraad waarin – wederom tot mijn verbazing - gesteld werd dat de geitenhouderijen waarschijnlijk de oorzaak zijn van de grotere kans op longontsteking in de directe omgeving.
Het gaat om het woord “waarschijnlijk”. Daarmee wordt het voor het kabinet, met Q-koorts nog vers in het geheugen en de parlementaire enquête over de coronapandemie gaande, welhaast onmogelijk om geen maatregelen te nemen.
Het verschil tussen “mogelijk” en “waarschijnlijk” is hier cruciaal, en er is geen objectief criterium voor dat verschil. Ik kan me zo voorstellen dat hier in de Gezondheidsraad stevig over gediscussieerd is. Dat ik “mogelijk” passender vind valt in de categorie wetenschappelijk debat. Dat is er vaak, dat is alleen maar goed en maakt epidemiologie zo leuk.
Aliëtte Jonkers kwam in NRC met twee – in mijn ogen – saillante bevindingen: VWS (opdrachtgever van VGO-III) had de sterftecijfers aan het rapport toegevoegd en de VGO-III onderzoekers hadden nagelaten om eigen onderzoek dat de “consistente associatie tussen geitenhouderijen en een grotere kans op longontsteking in de directe omgeving” niet ondersteunde te vermelden.
In het artikel staat dat het kroonjuweel van VGO-III mislukt is. In plaats van 600-800 patiënten met longontsteking waarbij uitgebreide diagnostiek zou plaatsvinden kwamen er maar 106 in het onderzoek.
Waar mislukte experimenten in een laboratorium aan de orde van de dag zijn (of was dat alleen bij mij zo?), horen we zelden over mislukt wetenschappelijk onderzoek met mensen. Als ervaringsdeskundige kan ik melden dat dat beeld niet klopt. Ik kan een lijst met mislukt onderzoek van eigen hand overleggen, en ik ben ervan overtuigd dat we van veel mislukte studies nooit iets horen.
Mislukt noem ik een onderzoek als de onderzoeksvraag door onvoorziene omstandigheden niet met voldoende precisie beantwoord kan worden. In VGO-III werden te weinig patiënten ingesloten om de vraag te kunnen beantwoorden of de woonafstand tot een geitenhouderij geassocieerd is met bepaalde ziekteverwekkers van longontsteking. Het rapport bevat geen gedetailleerde analyse waarom het niet lukte.
Zelf hebben we recent ook een onderzoek gestopt waarbij we twee behandelmethoden voor patiënten met sepsis met elkaar vergeleken. De inclusie verliep te traag en er werd te vaak van het protocol afgeweken. Dat is uitgebreid geanalyseerd en gepubliceerd.
In beide onderzoeken hebben patiënten op vrijwillige basis meegedaan, ondergingen ze extra handelingen (althans in VGO-III) en beide studies werden met publieke middelen betaald. Drie goede reden om een studie te laten lukken.
Een vierde reden is dat als dergelijke gegevens wel gepubliceerd worden, de onnauwkeurigheid vaak vergeten wordt. Later worden de gegevens samengevoegd met net zo onnauwkeurige resultaten van andere studies. Dat heet dan een meta-analyse en daar wordt (vaak ten onrechte!) van verondersteld dat het een betrouwbaar antwoord op de onderzoeksvraag geeft.
Van elke “mislukte” studie zou de oorzaak onderzocht en gedeeld moeten worden. Daarmee kunnen onderzoekers toekomstig onderzoek beter voorbereiden, kunnen ethische toetsingscommissies en subsidiegevers de uitvoerbaarheid van nieuwe studies beter beoordelen, en lopen patiënten minder risico op deelname aan een studie die uiteindelijk weinig nieuwe kennis oplevert.
Voor de publicaties bestaat zelfs een wetenschappelijk tijdschrift: The Journal of Trial and Error.

